| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
Overweging zondag 13 november 2011, Laarkerk Zuidlaren.
Mattheus 25: 31 – 46 Ruth 2
Thomas van Aquino: Daarom, broeders en zuster, is het helpen van de armen een beter offer en God meer welgevallig dan God direct zelf een offer brengen…..
Voor sommige mensen is het leven kapot. Ze zijn geïsoleerd en eenzaam en voelen zich verscheurd. Sociaal zijn ze overbodig. Anderen kijken hen met de nek aan, hebben hen opgegeven of komen misschien plichtmatig een keertje kijken. Wanneer je arm bent dan tel je niet echt mee. In het allerergste geval, op deze aarde, heb je alleen maar je zelf. Een tentje om te schuilen onder de brandende zon in een eindeloze woestijn ergens in Afrika. Misschien wachtend op een hulpverlener die eten komt brengen. Maar de kans is groter dat je ook weer van dat plekje wordt verdreven omdat er oorlog woedt en hongersnood heerst. Of misschien heb je een klein rugzakje waar je je laatste spullen in bewaard en die je de godganse dag met je meesjouwt door een grote stad, waar ook ter wereld. Lopend van gaarkeuken, naar dagopvang en van dagopvang naar nachtopvang. Als je arm bent ben je vaak afhankelijk van wat anderen je doen toekomen. Op enig moment is het geld op, op enig moment is je huis weg, op enig moment tel je niet meer mee en gaat de wereld je als een last beschouwen en zit je in de zwakst denkbare positie
Ruth zit in zo’n zwakst denkbare positie. Ze is vrouw en vreemdelinge. Daarnaast is ze mantelzorgster voor haar schoonmoeder. Honger kwelt hen. Armoede bedreigt hen. Ze zijn beide afhankelijk geworden van de genade, van de barmhartigheid, van de ander. Het lange wachten op het veld, zonder enige zekerheid over de afloop, illustreert de machteloosheid van Ruth. Had Boaz zich uiteindelijk niet over haar ontfermd dan had het er slecht voor haar uitgezien. Anders dan Ruth zit Boaz aan de goede, rijke kant van de maatschappij. Hij is de beschaafde, sociaal voelende, gelovige bewoner van de villawijk. Hij hoeft zich geen zorgen te maken over zijn inkomen en zijn hypotheek. Waarom zou hij zich bezig houden met een dergelijke looser als Ruth. Het enige dat er bij hem aan zou kunnen appelleren is zijn geloof. Maar nergens in het verhaal laat hij zich daarop voorstaan. Hij is zich blijkbaar bewust van zijn verantwoordelijkheid voor recht en rechtvaardigheid, los van zijn geloof. Hij is zich bewust van het feit dat het gaat om de medemens, daar moet in de eerste plaats voor gezorgd worden. In haar armoede erkent hij Ruth als mens. Hij geeft haar niet alleen te eten. Hij is niet alleen barmhartig, maar hij creëert ook rechtvaardigheid. Hij neemt haar op in zijn kring, geeft haar meer dan ze wettelijk zou kunnen claimen. Naar de woorden van Naomi is Boaz een mens naar Gods beeld. Hij bevrijdt Ruth van de dood, schept nieuw leven, geeft een nieuwe toekomst.
Armoede is een sociaal-maatschappelijk probleem. Het is het gevolg van sociaal-economische keuzes die er gemaakt worden in deze wereld. Het is het gevolg van politieke en maatschappelijk keuzes die wij zelf, hierbij elkaar, maken. Armoede is daarom nooit een geestelijk probleem. Want hoe hard je ook zult bidden, als er niemand is die er voor zorgt dat je eten krijgt, ga je vroeg of laat toch dood van de honger en dorst. In de bijbel wordt armoede bestreden. “Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik verzeker jullie, alles wat je voor een van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor mij gedaan”. Het is de concretisering van het geloof. Het is de ultieme zin die we aan ons leven gegeven hebben. We worden niet beoordeeld op onze directe relatie met God, maar op onze inzet voor en engagement met de medemens. Vooral hulpeloze mensen in de misère; heb je brood gegeven aan wie honger lijdt? Heb je een dorstige een glas water gegeven? Op zulk handelen en verantwoordelijkheid nemen, worden we uiteindelijk beoordeeld. Of je nu gelooft in God of niet; al wat je die mensen hebt gedaan, en ter wille van die mensen en niet over de rug van de mensen ter wille van God, heb je in feite ook voor God gedaan. Of je hebt dit geweigerd, in de visie van Jezus, op het laatste oordeel volgens het evangelie van Mattheüs. En tussenweg, een waterig compromis, is niet mogelijk. Het gaat bij Jezus in de eerste plaats altijd om het ethisch handelen en daarin kunnen, naar zijn bevoegd oordeel, slechts radicale keuzes in gemaakt worden.
In de Bijbel en in de liturgie worden de arme centraal gesteld. De onderdrukker wordt aangeklaagd. We worden uitgedaagd door de verhalen die klinken en die de liturgie worden binnengedragen. We worden door de wereld uitgedaagd. We worden door Ruth uitgedaagd. Niet omdat we geloven of omdat we in de kerk zouden zitten, want dat is werkelijk niet relevant. We worden uitgedaagd omdat er hulp nodig is. Omdat er hongerige onder ons zijn en dorstige en die ons vragen; wanneer heb jij mij dat brood gegeven, wanneer gaf jij mij dat glas water? Er wordt concreet een beroep op ons wordt gedaan. Die uitdaging gebeurt om ons in actie te laten komen. De Bijbel kan ons daarin, niet meer en niet minder materiaal en inspiratie bieden. Dit raakt wel de gevoeligste snaar van ons geloven. Want deze uitdaging tast onze vanzelfsprekendheden aan. Namelijk de vanzelfsprekendheid dat de kerk pas echt belangrijk is, als ze weer vol zouden zitten, als het jubelgezang uit zoveel mogelijk kelen zou klinken.
Het gaat in de kerk in de eerste plaats om de onmacht van Ruth. Het gaat in de Bijbel om het heil en geluk van de mens. Het gaat in Mattheüs 25 om de dienst aan de medemens. De dienst van God aan de wereld. Dat is wat we iedere zondag weer vieren in de liturgie, door het lezen van de Bijbelverhalen. De liturgie is de dienst van het volk aan God en dus niet de dienst van God. De dienst is niet dat wij hier bidden en zingen en God vragen om het op te lossen. De dienst is niet dat wij ons ondergeschikt en afhankelijk van God zouden maken, maar dat God zich ondergeschikt maakt aan de mens. “Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”. Dat behoort tot het wezenskenmerk van het geloven. De Bijbel is een mensenboek. De liturgie is de dienst van het volk. Het gaat bij beide in de eerste plaatst om die mens. Om die hulpeloze mens. En pas van daaruit gaat het over God.
De priester en leviet, in het verhaal van de barmhartige Samaritaan, die de liturgie belangrijker vinden dan de man langs de kant van de weg, worden tegen gesproken. Het was van daaruit dat de beroemde theoloog Thomas van Aquino zei: “daarom, broeders en zusters, is het helpen van de armen een beter offer en God meer welgevallig dan God direct zelf een offer brengen”.
De dienst van God aan de mens, de viering van de liturgie, het brengt ons wekelijks samen opdat wij ons herinneren dat we er niet alleen voor staan. Het voeden van de hongerige, het laven van de dorstige, wat je voor een van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor mij gedaan”. Het bestrijden van armoede. Het is in de liturgie een radicale keuze oefening. We stellen in de liturgie niet onszelf centraal, om onszelf gelovig te kietelen, god betere het, we stellen niet God centraal, maar we stellen de medemens, bij voorkeur de hulpeloze medemens centraal. En pas van daaruit komen we terecht bij God. Deze is onze inspiratie. Dat is geloven. Bij God leggen we de nood van wereld neer. Niet om het te laten op te lossen, want dat is onze verantwoordelijkheid. Maar om ons te herinneren waartoe wij geroepen zijn, om ons te herinneren wie wij zijn; Goddelijk gebrekkig. Maar ook mensen naar Zijn beeld. Bevrijd van de dood, geroepen tot nieuw leven.
Zo wilde ik overwegen. Lof zij Jezus Messias. |