| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
Overweging zondag 6 november 2011. Protestantse Gemeente Grolloo-Schoonloo
Lucas 15: 11 – 32
Thema; de verloren zoon?
Een zeker mens had twee zonen. De jongste zei tegen hem: “Vader geef mij mijn erfdeel”! Het is alsof een zwaard door de ziel van de vader gaat. Is dit zijn zoon? Ja, door de bloedband wel, maar of de band van de liefde hen nog bindt is maar zeer de vraag. Innerlijk heeft hij al afstand genomen zo lijkt het. Geef mij mijn erfdeel! Een erfdeel krijg je pas na het overlijden van je vader. Doordat deze zoon het nu al vraagt heeft hij daarmee zijn vader nu al doodverklaard?
De zoon verwijt de vader niets. Hij verwijt hem geen liefdeloos gedrag. Hij verwijt hem niet dat hij geclaimd wordt door zijn vader. Of dat hij te hard moet werken voor te weinig geld. Of dat hij wordt achtergesteld ten opzichte van zijn broer. Of dat zijn vrijheid beknot wordt. Hij verwijt hem niets! Het enige dat hij doet is vragen om zijn erfdeel!
Veel zonen lijden onder de druk van vaders, zoals dochters vaak lijden onder de druk van moeders. Kinderen moeten vaak aan onuitgesproken verwachtingen voldoen. Ouders maken beelden van kinderen en plakken deze beelden vaak ongevraagd op. Beelden als het gaat om hun carrière of een partnerkeuze. Als het gaat om inkomen of woonplaats. Beelden als het gaat om zorg bieden aan de ouders of juist niet. Beelden over hun karakter, negatief danwel positief. Beelden die vaak niet worden uitgesproken, maar er wel zijn en die door kinderen ook vaak gevoeld worden.
Vaak komen kinderen pas los van deze beelden na het overlijden van de ouders. Ik zeg “vaak”, want lang niet altijd gebeurd dat. Zelfs na de dood van hun vader of moeder kunnen de kinderen blijven lijden onder deze beelden.
De zoon van vandaag heeft zijn vader heimelijk doodverklaard, omdat hij zelf vrij wil zijn. En zijn vader hem, uit zichzelf, waarschijnlijk nooit die vrijheid zou hebben gegeven. Misschien is het niet eens in zijn gedachten opgekomen, dat zijn zoon weleens vrij zou willen zijn.
De zoon hij trapt op zijn vaders ziel. Maar de vader zegt niets! Hij verdeelt zijn bezit en met respect voor diens vrijheid laat hij zijn zoon gaan. Hij doet geen poging om zijn zoon op andere gedachten te brengen. Hij wijst hem niet op zijn broer, die gewoon aan het werk blijft. Hij zadelt hem niet op met een schuldgevoel, over wat hij zijn vader aandoet. Hij geeft hem geen strenge vermaningen mee. Hij dwingt geen beloften af, wat mensen bij een afscheid nog weleens willen doen. Hij wordt ook niet sentimenteel zo van: “kind mijn huis staat altijd voor je open!” Want met al deze dingen zou hij zijn zoon toch weer claimen. Nee, de vader zwijgt. Hij laat zijn zoon in vrijheid gaan.
En dat is voor ouders verreweg het moeilijkste. Je kind de vrijheid geven. Want op grond van je levenservaring weet je wat er mis kan gaan. En daarin wil je je kind beschermen, daar ben je ouder voor. Maar het is de vraag of je kind overal tegen kunt beschermen en of je dat ook moet willen. Moeten kinderen niet zelf, door schade en schande, wijs worden. Daar word je groot van. Deze volkswijsheid zal ongetwijfeld door velen worden ondergeschreven. Maar tegelijkertijd kan het de worsteling oproepen hoever je als ouder hierin moet gaan. Waar ligt de grens dat je als ouder ingrijpt. Je laat je kind toch niet, willens en wetens, met open ogen, het ongeluk tegemoet gaan?
Dat is interessant aan het verhaal van vanmorgen. In hoeverre is de vader medeplichtig aan het onheil dat die jongen zich op de hals heeft gehaald. Was het niet te voorspellen geweest, waar dit avontuur op uit zou lopen. Had de vader de jongen dit alles niet kunnen besparen. Had hij niet moeten zeggen: niks geen erfdeel, over mijn lijk! Je blijft binnen.
Het gegeven dat de vader dat niet doet legt dus juist de spanning bloot tussen vader en zoon, en waar ik vader en zoon zeg, kan ook moeder en dochter ingevuld worden. Het is de spanning tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Hoe groter de vrijheid die gegeven wordt, hoe meer verantwoordelijkheid er naast komt te staan. Zolang mijn vrijheid als kind wordt ingeperkt omdat ik nog klein en jong en onervaren ben, hoe groter de verantwoordelijkheid is van de ouders. Maar naarmate ik als kind ouder wordt en dus meer vrijheid krijg, wordt mijn eigen verantwoordelijkheid ook groter.
En dan moet je als ouder ontdekken, door schade en schande wijs geworden, en ook erkennen dat er een moment komt dat je verantwoordelijkheid echt ophoudt. Hoe pijnlijk dat ook kan zijn! Hoe catastrofaal de gevolgen! Dan moet je als kind ontdekken dat je niet overal je ouders voor verantwoordelijk kunt houden.
Dat menselijke beeld zegt ook iets over het beeld dat mensen vaak hebben van de relatie tussen God en mensen. Als God wilde: dan zou er toch geen oorlog zijn, geen hongersnood, geen dood en verdriet. Als God wilde dan zou mij, en vul dan maar verder in, dit toch nooit zijn overkomen. “Zie je wel, die God van jou, stelt geen flikker voor”. Maar ook hierin moeten we erkennen dat er een moment komt dat de verantwoordelijkheid van God ophoudt. Dat wij mensen toch echt zelf verantwoordelijk zijn voor de keuze die we maken en daden die daaruit voortkomen. Dat we God er niet voor verantwoordelijk kunnen houden.
Ons wordt vanmorgen een menselijk verhaal verteld, een verhaal spanning, van vrijheid en verantwoordelijkheid. Maar ook een verhaal van vertrouwen. De vader had blijkbaar het vertrouwen in de zoon, misschien niet dat het onderweg allemaal goed zou gaan, maar wel dat het uiteindelijk goed zou komen. Dat vertrouwen blijkt uit de houding van de vader als de zoon terugkeert. Er klinken geen verwijten, geen moreel oordeel, geen vermaningen, maar liefde. En de zoon, ach misschien heeft hij zijn verhaaltje onderweg wel tien keer geoefend. Heeft hij afgewogen wat hij het beste kon zeggen, en vooral wat hij niet moest zeggen, tegen zijn vader. Maar wat hij ook zei; zijn vader kuste het af. En dat roept de laatste vraag op: gaat het verhaal nu over de verloren zoon of over de herboren vader?
Zo wilde ik met u overwegen. Amen. |