| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
Overweging zondag 7 augustus SOW-kerk Nagele
Jona 2: 1 – 11
Het is duidelijk dat Jona in grote nood is gekomen. Dat is hem zelf alleen maar aan te rekenen. Het heeft alles te maken met beslissingen die hij zelf neemt in zijn leven. Jona, zijn naam betekent duif. Maar deze duif lijkt eerder een ongeleid projectiel. Iemand die helemaal zijn eigen gang gaat. Tegen alle wetten en conventies in. Tegen alle adviezen in, zijn eigen weg kiest. En dan hoef je er niet al te lang op te wachten dat het misgaat. We kennen ze zelf ook wel die mensen, die het steeds weer lukt om op een verkeerd moment een verkeerd besluit te nemen, waardoor de problemen steeds weer terugkeren en zelfs steeds groter dreigen te worden. Het is de schlemiel van het dorp. Het zwarte schaap van de familie.
Dat gedeelte waarin het misgaat, staat vandaag niet centraal. Dat stadium zijn we al gepasseerd. En Jona heeft de consequenties daarvan aanvaard. En zo komt het dat het erop lijkt dat we vandaag zijn aangeland op het dieptepunt van iemands leven.
Het verhaal doet mij denken aan een van mijn eerste ontmoetingen toen ik in Groningen aan het werk ging als pastor voor druggebruikers. Het was Sjoerd die mij vertelde dat hij nog nooit zo diep in de goot had gelegen. Hij was aanbeland op het dieptepunt van zijn leven, volgens hem. Geen huis meer, verslaafd aan drank en drugs. En ik weet heel goed dat het mijn schuld is, zei hij. Maar denk maar niet dat jij, met jou God, mij eruit kan halen. Vervolgens wilde Sjoerd een half jaar lang niet met me praten. Hij negeerde me totaal.
Het donkerste van het donkerste, gevangen in de duisternis, op de bodem van de zee en een toekomst ongewis. Is dat ook de toekomst van Jona? De bodem van de zee? Dieper kun je niet zakken! In zijn diepste nood. En een mens in zijn diepste nood leert bidden, is het gezegde. Of is dat maar de vraag. Want een mens in zijn diepste nood kan ook leren vloeken. Een mens in zijn diepste nood kan ook apathisch worden, van angst helemaal niets meer doen.
Het lijkt erop alsof Jona leert bidden. Want wat we vanmorgen lezen is een gebed. Een psalm uit nood, is datgene wat Jona zingt. Aan het verhaal zelf wordt weinig aandacht besteed. Maar God stuurde een walvis, meer niet. Alsof het vanzelfsprekend is, dat God dat doet. Maar niets is vanzelfsprekend. En dus is het zeker ook niet vanzelfsprekend dat God redt. Dat God een walvis stuurt.
Uit de psalm van Jona vanmorgen spreekt alle doodsangst die mensen maar kunnen hebben: “De diepte ingeslingerd.” Zo staat het er. “Door kolkend water omgeven. … Zwaar slaan uw golven over mij heen. … Verstoten, verbannen. … Het water stijgt me tot de lippen. … Muren van water storten op mij neer. … Zeewier om mijn hoofd. … Inderdaad kan een mens dieper zinken. Kan een mens meer de wanhoop nabij zijn dan deze woorden weergeven! Weggejaagd uit het land van de levende.
Een half jaar nadat ik Sjoerd voor het eerst gesproken had, bleek dat hij nog dieper kon zinken. Met een overdosis aan drugs in zijn tengere lijf kwam ik hem tegen in het ziekenhuis. Zwevend tussen leven en dood, maar meer dood dan levend. Hoe diep moet je zakken in het leven, hoe hoog moeten de golven komen, hoe vol moet je longen zitten met water, zodat je alleen nog maar kan stikken, om eindelijk in te zien dat er nog maar een ding rest als je niets doet, namelijk de dood. Hoe diep moet je zakken, dat je op zoek naar gaat naar redding. Sjoerd vroeg aan mij of hij in de hemel zou komen, als hij dood zou gaan. Hij zou wel dood willen, zei hij. Want het is een klotenleven dat ik nu heb! Om vervolgens aan mij te vragen of ik met hem wilde bidden.
Jona zingt zijn psalm. Het is een dubbelzinnig lied. Een lied van verlangen naar vroeger, naar het land van de levenden. En tegelijkertijd weet Jona, dat het nooit meer zó als vroeger zal zijn. Want als je echt een crisis hebt meegemaakt, als je echt door de diepte gegaan bent, als je echt gezweefd hebt op de grens van leven en dood, dan weet je dat je leven nooit meer zal zijn als daarvoor. Je hebt geleerd dat het leven andere dimensies kent. Diepere lagen misschien wel. Je hebt geleerd om anders aan te kijken tegen dingen die vanzelfsprekend waren. Je hebt geleerd om te relativeren. Je maakt je minder druk om futiliteiten. Waar gaat het nu echt over in het leven, is een belangrijke vraag dan. Maar je hebt ook geleerd dat als er zich een kans op redding aandient je die beter maar met beide handen kunt grijpen. Want zo vaak gebeurt dat niet.
Nu 16 jaar later is Sjoerd nooit meer zo diep gezakt als ik
toen ik hem in het ziekenhuis aantrof. Hij heeft nooit meer op de bodem van de
zee gelegen. Hij heeft zijn leven weer redelijk op de rails. Een huis, een
vriendin en af en toe nog wat drugs. En ach, de dominee is wel een aardige man
geworden. Maar God? Wat moet ik daarmee, zegt hij. En bidden, nee het is bij
die ene keer gebleven. God zie ik nooit, zei hij laatst nog tegen me. Ik moest denken aan dit verhaal van Jona. Als iemand je vertelt dat God zich in de figuur van een walvis aandient, dan verklaar je hem waarschijnlijk voor gek. Maar dat is God. Altijd onverwacht, altijd anders. Maar in de diepte van het leven, op de bodem van de zee, wel een baken waar je terecht kunt. Die bescherming kan bieden, die een uitweg kan bieden. Nee niet vanzelfsprekend, niet altijd op afroep beschikbaar. Maar in de leegte en het gemis, gevangen in ons onvermogen, zoekend naar troost, dient God zich aan: als de ziel van onze gebeden. Zo wilde ik met u overwegen, lof zij Jezus Messias. Amen. |