Welkom bij Gerhard ter Beek.

Overweging zondag 21 november 2010. Gedachteniszondag.

 

Thema: de radeloosheid van het lege graf.

 

Het verhaal dat vanmorgen is verteld is geen tovenarij. Maar het is beeldspraak. Het gaat niet over reanimatie. Daar heeft het verhaal helemaal niets mee te maken. Zoals zo vaak in de bijbel is ook dit verhaal niet een geschiedenis verhaal wat ons de werkelijkheid verteld. Het is een verhaal dat ons iets wil vertellen over leven en dood.

 

Maar aan het verhaal uit de bijbel van vanmorgen ging nog iets vooraf, namelijk het verhaal dat  Maria en haar vrienden het graf van Jezus leeg hadden gevonden. Weg was het lichaam van hun geliefde! Het enige dat er nog lag waren de doeken waarin de overledene gewikkeld was geweest. En die lagen nu keurig opgevouwen op de plaats waar ze hem zijn laatste rustplaats hadden gegeven. Het was alsof de gast die zijn kamer verlaat, zijn slaapvertrek in ieder geval netjes wil achterlaten. Maar dat neemt niet weg dat de plaats leeg is Er is niets meer om te gedenken, er is geen plaats meer om naar terug te gaan. De radeloosheid van Maria maakt haar zo menselijk. De tranen van Maria zijn ook onze tranen.  Haar verdriet is ook ons verdriet. Want wat blijft er nog over als je geen plaats meer hebt om naar terug te gaan. Als je geen plaats meer hebt om te gedenken, in de wetenschap dat het lichaam van jouw geliefde daar ook is. Dat maakt Maria vanmorgen niet een vrouw die ver bij ons vandaan staat. Een vrouw uit een grijs en ver verleden. Maar een vrouw die ook bij ons in het dorp had kunnen wonen. Een vrouw die  onze  emoties toont van  iets wat het midden houd tussen verdriet, angst en misschien ook wel boosheid, door haar tranen heen.  Verdriet en angst over het verdwijnen van het lichaam en boosheid over wie hier verantwoordelijk voor is. Het graf is leeg! Een ernstig vorm van grafschennis en het verbreken van de laatste rustplaats waar iedereen recht op heeft.

 

We vinden er niet meer degene zoals we die bij leven hebben gekend. Das waar. We vinden er een stoffelijk overschot. Datgene wat van een mens overblijft. Stof uit stof, as uit as. Waarom zou je er dan naar toe gaan naar het graf of de urenmuur of verstrooiplaats.  Je vindt er toch niets meer, is vaak een gehoorde reactie. Waarom Maria ging wordt ons niet verteld. En toch gaat ze. Om te zien, om te gedenken, om te herinneren?  

 

De Rooms Katholieke kerk heeft daar van oudsher een prachtige traditie voor, die je in zuidelijke landen van Europa nog tegenkomt. Op Allerzielen, gaan mensen naar het graf van de overledene, om bloemen te leggen, om het graf schoon te maken en om te gedenken.

 

Bij een uitvaart is de plaats bij het graf of in het crematorium de plaats waar we het allerlaatste afscheid nemen. Het is de plaats waar we, op dat moment, diep in ons hart niet naar toe willen, omdat we weten dat het afscheid dan definitief is. Maar tegelijkertijd willen we er ook niet weg. Omdat we de overledene, onze geliefde, niet willen achterlaten. We stellen het vertrek, het afscheid, zolang mogelijk uit. Terwijl ons verstand zegt en ook weet dat het ook niet anders kan.

 

Tegelijkertijd weten we ook, bij dat afscheid,  dat dat plaats is, of dat nu het graf is, of de urnenmuur of de plaats waar de as verstrooid is, waar we onze dierbare altijd weer kunnen terugvinden. Waar we altijd een plaats vinden om te gedenken. Waar we de ander bij ons kunnen voelen. Dat is in eerste instantie ook de radeloosheid van Maria. De plaats om te gedenken is haar afgenomen. Het is een lege plaats geworden waar ze niets meer terugvindt. Het is niet zo moeilijk als je iemand hebt verloren om je dat gevoel van Maria voor te stellen. De radeloosheid van het lege graf. De achtergrond van haar vraag, aan degene die zij aanziet voor de hovenier; zeg mij waar hij is, zeg mij waar ik hem kan vinden. Bedoeld ze te zeggen; zeg mij waar ik kan gedenken?

 

Want door te gedenken, degenen die ons ontvallen zijn, zijn ze bij wijze van herinnering toch nog bij ons. Leven ze voort. Want in de kerk geloven we niet dat de dood het laatste woord heeft. De tranen van Maria en dus ook onze tranen, mogen worden afgedroogd opdat wij niet vergeten dat niet de dood het laatste woord heeft, maar het leven. Want God is een God van levende mensen, die mensen troost biedt en bevrijding. Die al zijn liefde wil geven voor zijn mensen.

 

De hovenier blijkt de hovenier niet te zijn.  De hovenier is het symbool dat er leven is na de dood. De hovenier is degene die Maria naar het leven laat kijken. Het helpt ons niet als we bij het dode lichaam blijven staan, ach en wee blijven roepen. We mogen blijven gedenken en moeten ook blijven gedenken, maar dat is iets anders dan naar de dood blijven staren. Want gedenken is ook het leven vieren. Gedenken is ook danken voor het leven van de ander, wat die ons gebracht en gegeven heeft. Danken voor de heiligheid van hun leven; het sanctus en de gloria, dat is het leven vieren. Omdat God, een God van levende is. Die inderdaad het leven wil vieren, tegen de dood in.

 

 

 

 

 



Laatste nieuws

Edicy. Maak een website!