| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
Het was dit voorjaar, een week voor Pasen, dat ik in de kapel van de Open Hof, op zondagavond, een viering had. Ongeveer vijfentwintig mensen van de straat hadden zich daar verzameld. Ik las hen het verhaal van Elia die wegvluchtte tot hij onderdak vond in een grot. Ogenschijnlijk ver van de bewoonde wereld, onvindbaar voor iedereen. Maar niet onvindbaar voor God. Ik vertelde de bezoekers in de kapel dat Elia bang was, op de vlucht voor het volk dat het verbond met God had opgezegd. De altaren vernietigd en nu jacht maakte op Elia als laatste vertegenwoordiger van Gods zaak. In het gesprek dat zich daarna met de groep ontspon ging het over de vraag of geweld altijd uit te sluiten is en wat geweld dan wel precies is, is het omver gooien van de tafels door Jezus ook niet een vorm van geweld, maar ook over de vraag of geweld uiteindelijk iets oplost. Ik vertelde hen dat geweld uiteindelijk nooit een oplossing is, alhoewel ik me kan voorstellen dat geweld soms gebruikt wordt. Dat waren ze allemaal wel met me eens.
Halverwege het gesprek stond John op. Hij liep de kapel uit en verdween. Ik weet niet waar naar toe. Ik kende John, tenminste niet langer als dat wij vlak voor de viering met elkaar hadden kennis gemaakt. Aan het eind van de viering, de kapel was leeggestroomd, de laatste liturgieën, die waren achter gelaten, door de vrijwilligers bijeen geraapt, liep ik de huiskamer van de Open Hof binnen. Enigszins tot mijn verbazing trof ik John daar aan. Ik stapelde wat kopjes bij elkaar, maakte her en der een grapje met een bezoeker. Tot ik me omdraaide en pardoes tegen John aanliep. Met zijn, op het eerste gezicht vervaarlijke uiterlijk, keek hij me strak aan. ‘Mag ik met je praten’, vroeg hij. Ik stemde toe en we zetten ons op een stoel aan een tafel. ‘Je had het over mij’, zei hij. ‘Ik had het niet speciaal over jou, maar het kan zijn dat jij aangesproken voelde’. ‘Mijn leven is geweld, mijn leven is handel in verkeerde dingen’ zei hij. In de week hiervoor had hij een medewerker van een instelling in de stad ernstig bedreigt, omdat naar zijn zeggen, deze medewerker zijn vriendin onheus had bejegend. ‘Dat had ik natuurlijk nooit moeten doen, was superstom, maar het gebeurde, ik heb daar een sancties gekregen en terecht, zei hij. ‘Ik wil je mijn excuses aanbieden, dat ik de kapel uitliep, was niet netjes van me’. Ik kom er nooit, ben er ook niet mee opgevoed ‘Wie ben je eigenlijk, vroeg ik. Ben je iemand die altijd boos is op alles en iedereen, wat is het goede in je? Wat denk je,zei hij, wordt een kind met kwaadheid en het slechte in zich geboren, was zijn tegenvraag. Een kind wordt niet met het kwade en het slechte in zich geboren, was mijn reactie. Toch leert de kerk dat wel, zei hij. In zonde geboren en ontvangen. Op dat punt verschil ik van mening met de kerk, was mijn reactie. Precies,zei hij. Dus ik ben ook niet geboren met het kwade en slechte in mij.
‘Mijn vader was beroepsmilitair en hij was de norm. En aan die norm moest ik als oudste zoon voldoen. En een onderdeel van die norm was dat een man nooit zijn zwakheid laat zien. Ik leed toen al een zwervend bestaan. Mijn vader werd zo ongeveer iedere drie/vier jaar overgeplaatst. In Nederland, maar soms ook een periode in Duitsland. En overal waar ik kwam moest ik opnieuw mijn plek bevechten. En ik moest een man zijn, die geen zwakheid toonde. En dus vocht ik. Letterlijk vocht ik om te laten zien dat ik erbij hoorde. Ik vocht om te laten zien, dat ik iemand was. Ik dacht daarmee respect af te dwingen, want ik had geleerd dat dat de manier was. En vechten werd voor mij een levensstijl. Ik werd lid van de boksschool. Mijn vader was trots op me. Mijn moeder niet, maar dat begreep ik pas veel later. En ik had succes, ik was geen slechte bokser. Dat het op school niet goed ging, dat ik daar op mijn zestiende werd weggestuurd, ach dat interesseerde me eigenlijk niet, want mijn vrienden keken naar me op. Ze hadden respect voor me. Maar het ging van kwaad naar erger. Ik kwam terecht in het circuit van het kickboksen. Een zeer agressieve sport. Ik kwam langzaam aan ook terecht in het circuit van softdrugs en handel. Ik kwam in aanraking met de Hells Angels’. Op dit punt in zijn verhaal ontbloot hij voor mij zijn bovenlichaam en laat mij de Hells Angels tattoo’s zien waarmee zijn lichaam is bedekt. En de riem, die hij nog steeds draagt. Hij vervolgt zijn verhaal.
‘Ik werd af en toe opgepakt voor kleine vergrijpen, wat illegale handel. Soms een beetje geweld. Maar nooit langer dan een of twee maanden. Ik woonde ondertussen samen met een vrouw. We waren niet getrouwd. We kregen een dochter, een bloedmooie meid. We hadden het goed samen, niet rijk, maar op onze manier gelukkig, dacht ik. Tot die zaterdagavond, ik weer een wedstrijd moest boksen. Ik won de partij glansrijk. Binnen twee ronden had ik hem knock out. Misschien een half jaar later, word ik weer eens opgepakt, wat illegale handel. Meer was het niet. Ik wordt gearresteerd door de agent die ik een half jaar eerder in de boksring binnen twee ronden knock out had geslagen. Ik weet niet meer precies wat er gebeurde, maar hij maakte een opmerking over die bokspartij, ik kreeg een waas voor mijn ogen en beukte op hem in. Dat liep dus niet goed af. Ik werd veroordeeld voor een poging tot doodslag op een ambtenaar in functie. In al die jaren is mijn vader nooit bij me geweest in de gevangenis. Ik neem het hem niet kwalijk. Ik denk dat hij teleurgesteld in me is. Mijn moeder kwam wel bij me. Die kwam bijna wekelijks. Nam ze kleren mee en wat rokersspul.
En nu zit ik hier! Ik ben vijf weken geleden vrij gekomen, na wat aftrek voor goed gedrag. En zoals dat gaat wordt je, eenmaal buiten de poort, aan je lot overgelaten. Je zoekt het maar uit. Mijn vriendin was ondertussen vertrokken, met een andere man. Geef d’r eens ongelijk! Wat heb je aan een vent die vast zit. En mijn dochter is ondertussen zeventien jaar. Het gaat niet goed met haar. Ze gebruikt drugs, prostitueert zich. Ik kan mijn haren wel uit mijn kop trekken, het is en blijft je dochter. Ik zwerf wat langs de straat. Slaap in de nachtopvang. Eet bij de Open Hof. Douche me iedere dag bij iemand in huis. En dat is het dan!’
Hij valt stil, zijn ogen worden rood en hij begint te huilen. De tranen van een volwassen man, die zijn hele leven sterk moest zijn, die geen kwetsbaarheid mocht tonen. Die respect wilde afdwingen en die dacht dat hij gelukkig was in zijn leven. Maar die dat niet bleek te zijn.
Is dit je toekomst, vroeg ik. Zwerven langs de straat? Je ouders zijn er niet meer en echte vrienden heb je in deze wereld niet, tenzij je elkaar nodig hebt. Ik hoop het niet was zijn antwoord. Maar ik weet ook niet precies hoe het verder moet. Misschien ergens een kamer? Als ik er een krijg, kom je me dan eens opzoeken, vroeg hij. Ik kreeg vroeger alleen maar mensen over de vloer die net zo waren als ik. En ik wist dus, langzaam aan niet beter dan dat het zo hoorde. Met de Hells Angels heb ik geen contact meer. Dat is voor mij ook maar beter zo.
Hij staat op en wil weglopen. Maar hij draait zich nog een keer om. ‘Sorry, dat ik wegliep uit de kapel, was niet netjes van me, want je moet respect hebben voor de kerk en het geloof en de mensen die er zitten.’ Hij steekt zijn hand naar me uit, ik grijp hem. ‘Geweld is nooit een oplossing, dominee,’ zegt hij nogmaals. ‘Ik weet precies wat er in de tien geboden staat, daarover hoeven ze mij niks wijs te maken. Maar soms is de geest zwak en het vlees sterk. En op wie moet ik nu eigenlijk kwaad zijn, vroeg hij zichzelf hardop af. Mijn vader? Mijn moeder in ieder geval niet, want die kwam altijd bij me. Was als een soort God voor me. Maar uiteindelijk ben ik zelf verantwoordelijk voor al mijn daden. Ik heb zelf de keuzes gemaakt.
Ik knikte en zei dat ik niet het recht had om zijn keuzes te veroordelen, dat hij aan mij ook geen verantwoording hoefde af te leggen. Dat moest hij bij zichzelf doen. En dat de rechter in de Nederland was aangesteld om hem te veroordelen, maar dat we in de kerk moesten proberen om altijd weer op zoek te gaan naar dat ene kleine stukje, het goede, in de mens. Toen liep hij weg. Trok de deur achter zich dicht, Pasen tegemoet? |