| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
Overweging zondag 5 juni 2011. Protestantse Gemeente Aduard.
Johannes 17.
Wat is bidden? Een vanzelfsprekendheid voor veel mensen, waar vaak toch even over nagedacht moet worden. Vaak zoeken we dan hortend en stotend naar een antwoord. Iets waarmee je bent opgegroeid, iets wat vanzelfsprekend kan zijn en tegelijkertijd moeilijk onder woorden te brengen. Bidden roept ook wel iets op van intimiteit. Wat in onszelf ligt en waar we maar moeilijk met anderen over praten.
In de Open Hof kapel kan het erg onrustig zijn. Daklozen praten door elkaar heen en iedereen heeft wel ergens een mening over en vaak laat men elkaar niet erg rustig uitpraten. Tot het moment dat de voorganger aankondigt dat we gaan bidden. Dan daalt er een serene en intieme rust over de groep. Een rust van wederzijds respect. Een rust van intimiteit waarin de mensen voor zichzelf in stilte of hardop, dat kunnen neerleggen wat hen bezighoudt. Hun eigen leven. Of de ziekte van hun hond, het overlijden van hun moeder. Een vriend die in de gevangenis zit. De ziekte van een partner. Alles waar mensen, die niet dakloos zijn, ook voor zou bidden. Maar bidden legt op zo’n moment ook iets anders bloot. Namelijk iets onbeschaamds. We hoeven ons nergens voor te schamen. Het “Onze Vader” wordt op zo’n moment altijd hardop en uit volle borst meegebeden. Inderdaad iets onbeschaamds. Bidden is dus blijkbaar, in alle verscheidenheid, een moment van intimiteit en een universeel gevoel van inkeer. Een moment waarop het hart spreekt, een moment voor eigen gedachten en emoties. Een moment van rust in een wereld die bol staat jachtigheid en achterdocht. In zo’n wereld zouden we dat moment moeten koesteren, ons hart rustig laten spreken. Maar tot wie en waartoe?
Is bidden alleen spreken tot God? Is het spreken tot God? En met welk doel dan? Vragen we van God een oplossing voor welk probleem dan ook? En als die oplossing er niet komt, zijn we dan teleurgesteld in God of misschien wel in onszelf? Als bidden niet alleen spreken tot God is, wat is het dan nog meer? Is het het onder woorden brengen, hortend en stotend, soms verward, van onze menselijke emoties. Van onze angsten en verdriet, van onze zorgen en vreugde? Die we op dat moment en op die manier even buiten onszelf neerleggen.
Maar laten we wel helder zijn. En natuurlijk weten het allemaal: bidden geeft garantie voor het door ons vaak zo gewenste individuele succes. En dus: soms helpt bidden niet naar ons eigen gevoel. Niet in situaties van ziekte en troost. Want hoe hard we ook bidden, mensen gaan dood of blijven toch ziek. Niet in situaties van dakloosheid en verslaving. Hoe hard we ook bidden we krijgen geen huis en raken ook niet van de drank af. Bidden is niet het individueel afsmeken van een wonder. En nogmaals diep in ons hart weten we dat ook wel. En toch doen we het geregeld. Of is het eerder onze onmacht onder woorden brengen.
Bidden heeft alles met onszelf te maken in eerste instantie. Iets wat ons hart bezwaard kunnen we door het gebed even buiten onszelf neerleggen. Even een last van ons hart. Maar het kan ook meer zijn, dan alleen bidden voor onszelf. Iedereen kan het gebed van iedereen nodig hebben, in het gevoel dat er een moment van aandacht is. Een moment van heling en herschepping. Een moment van dat je bestaat, dat je mens bent in andermans gedachten, in andermans hart, dat je mens bent en als mens wordt aanbevolen bij God. Is het spreken tot God? Kun je alleen bidden als je van jezelf zegt dat je gelooft? Mensen die van zichzelf zeggen niet te geloven, zullen niet gauw toegeven dat ze bidden?
In het evangelie van deze dag lezen we een passage uit het Hogepriesterlijk gebed dat Jezus uitspreekt. Je moet het wel drie of vier keer lezen voordat de tekst helemaal tot je doordringt. Het is geen tekst waar we direct houvast aan hebben. Het zaait eerder verwarring. Maar die verwarring was er toch al. Want we zijn alleen achtergebleven na Hemelvaart. Of toch niet? De zondag heten wezenzondag. Jezus is heengegaan. Maar de Geest is nog niet tot ons doorgedrongen, het vuur is nog niet ontstoken. We zijn wees geworden. Daklozen, geen houvast, geen veiligheid. Het is eerder een tijd van hopen en afwachten en bidden. Anders gezegd we staan op een kruispunt, op een kantelmoment in ons leven, waarin we echt op onszelf zijn aangewezen, zoals een aanstaande moeder op zichzelf is aangewezen, als het kind gebaart moet worden.
En in de kantelmomenten van het leven leren mensen vaak bidden. Nood leert bidden, is het gezegde. Dat zijn de momenten waarop we houvast zoeken. Houvast bij God. Die er zal zijn, al merken we het niet. Die al iets nieuws begonnen is, het kantelmoment voorbij, voordat wij dat merken? Maar ook nu weer verwarrend. Het is bepaald niet politiek correct. Jezus bidt niet voor de wereld, maar voor degenen die Hem gegeven zijn. We moesten toch bidden voor onze vijanden? En zegt Jezus nu dat hij alleen bidt het exclusieve clubje volgelingen? Het is een moordende spanning waarin we worden gezet. En we voelden ons alleen op deze wereld, zonder houvast, op deze wezenzondag.
Maar er zit toch wel een logica in. De wereld daar nemen wij allemaal aan deel. Dat is waar we met onze laarzen in de modder staan. In de wereld vindt de rechtvaardiging plaats, daar wordt de hemel zichtbaar. En daar moeten wij het doen! Dan blijkt het niet te gaan om een exclusief clubje volgelingen, maar dan gaat het om mensen, die God gegeven zijn. En mensen die God gegeven zijn, zijn mensen die willen bouwen aan een rechtvaardige wereld. God houd volgens de oude verhalen van alle mensen, maar tegelijkertijd houd Hij van de minsten het meest. Hij heeft hun hulpgeschrei gehoord. Hun gebeden, vanaf de dag dat Israel gevangen zat in Egypte, tot op de dag van vandaag. En hij laat nooit varen het werk van zijn handen en heeft ons de belofte gegeven dat hij ook in de toekomst, hun hulpgeschrei zal blijven horen. Het gebed waarin wij aandacht geven aan de weerlozen, aan de minste der mensen of ze dakloos en verslaafd zijn, ziek of stervende, aan de mensen die willen bouwen aan zijn schepping. Voor deze mensen bidden is een moment van herschepping, een moment van heling. Voor de aarde en de mensen die haar bewonen. Maar ook voor onszelf. Daarmee zetten we Gods hemel en aarde open voor iedereen. Tot God spreekt ieders hart in het gebed, maar Gods hart klopt tegelijkertijd in ons gebed. Gelovig of ongelovig. Hortend en stotend en verwarrend. In het gebed zetten we hemel en aarde open voor iedereen en zijn we allemaal God gelijk. Zo wilde ik met u overwegen, Lof zij Jezus Messias. |