| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

Exodus 20: 1 – 21. “De tien woorden”
Al een aantal jaren wordt er wereldwijd volop gediscussieerd over het thema vrijheid. De centrale vraag daarbij is waar de grenzen liggen van onze vrijheid.
· De grenzen van ons zelfbeschikkingsrecht waar het gaat om euthanasie, zelfdoding of abortus. Mogen wij daar zelf over beslissen of zijn er ethische en morele of juridische grenzen die ons daarin tegenhouden.
· De grenzen van onze vrijheid waar het gaat om publieke uitingen van religie. Godsdienstvrijheid dus. Zijn de burka en de moskee een uiting van godsdienstvrijheid? Of is de burka een symbool van vrouwenonderdrukking. Is ieder vrij om te dragen wat hij of zij wil als uiting van zijn of haar religiositeit? En wie bepaald dat dan?
· De grenzen van onze vrijheid waar het gaat om ons taalgebruik. Mogen we iedereen zomaar beledigen? Mag ik zeggen wat ik denk?
· De grenzen van onze seksuele vrijheid. De pornoficatie van onze samenleving. Maken mensen zelf uit maken waar ze naar kijken? Mogen mensen zelf uitmaken of zij beelddrager willen zijn van hun seksuele voorkeur. Of zijn er grenzen wat er getoond wordt en hoe mensen zich daarin gedragen?
· De grenzen van onze leefstijl. Ik wil zelf bepalen of ik in een café rook. Ik wil zelf kunnen bepalen hoe hard ik rijd op de snelweg. Ik wil zelf bepalen hoe ik met mijn leefomgeving omga. Dat laat ik mij door een gezagsdrager of door een wet niet ontnemen.
· In de internationale politiek willen we het begrip vrijheid zelfs gewapenderhand hand afdwingen. Met geweld leggen we landen onze vrijheid op.
De individualisering van onze samenleving kent ongetwijfeld sterke kanten. Mensen zijn baas geworden over hun eigen leven. Het is niet meer de kerk en de staat die achter onze voordeur komt kijken over hoe wij ons leven inrichten. Maar tegelijkertijd lijkt het er ook op alsof we de vrijheid, die we achter de voordeur hebben verworven, ook willen hebben, claimen zelfs, in het publieke domein. Steeds vaker lijkt het erop alsof we ook daarin, dat publieke domein, ons individuele belang laten gelden boven het collectieve belang.
Het begrip vrijheid houdt ons meer bezig dan ooit. En misschien juist wel omdat het te maken heeft onze collectiviteit en het daar regelmatig mee botst. Het individu laat zich niet meer voorschrijven, laat zich niet meer tegenhouden door het collectief, hoe het zijn leven moet inrichten.
In deze tijd van individualisering acht een mens zichzelf in eerste instantie verantwoordelijk voor zichzelf. Daarbij komt automatisch de verantwoordelijkheid naar het collectief in gedrang. Ben ik mijn broeders hoeder? om maar eens een Bijbelse uitdrukking te gebruiken. Of te wel, wat komt eerst, mijn eigen belang of het collectieve belang? Gaat mijn vrijheid, mijn belang, boven de bescherming van de zwakkere? Gaat mijn vrijheid boven de solidariteit met de ander.
Dat flatgebouw waar geen muren om heen staan blijkt, als we er nog eens goed naar kijken, helemaal niet het flatgebouw van de ultieme vrijheid te zijn. Integendeel zelfs. Het is een gevangenis. Want iedereen is doodsbang dat hij of zij van dat gebouw afvalt, met fatale gevolgen. Gevolg is dat men elkaar gevangen houdt. Want er is slechts een klein gedeelte, van de beschikbare ruimte, die men durft te gebruiken. Om te voorkomen dat men valt blijft men allemaal angstvallig in het midden staan. Niemand durft de rand op te zoeken. Tot iemand op het idee komt om een muur te bouwen. En als de muur klaar is, is plotseling ook de angst verdwenen dat men kan vallen. En dan blijkt ook dat men plotseling de gehele ruimte kan gebruiken en dat men dus feitelijk veel meer vrijheid heeft gekregen.
De kern van de “Tien Woorden” in Exodus, in de Thora, ligt in die vrijheid. Want de oorsprong van de “Tien Woorden” komt voort uit onvrijheid.
Ik heb u in de vrijheid gesteld. Ik heb u geleid uit het land Egypte, waar u slaaf was. Waar u slachtoffer was van onderdrukking en willekeur. En omdat u daar in onvrijheid leefde, omdat u daar als volk niet tot recht kwam, dat er geen recht aan u werd gedaan, geef ik u de “Tien Woorden”. Om u in vrijheid te laten leven.
Dat lijkt merkwaardig. Ik perk de vrijheid van iemand in, om hem of haar in vrijheid te laten leven. Maar het gaat in de kern van de “Tien Woorden” om recht en bescherming. Betrouwbare rechtspraak en bescherming van ieders recht op een zelfstandig, veilig en vrij bestaan, zijn de fundamenten waarop het nieuwe land behoort te worden gebouwd. Wetten en rechtspleging nodig zijn om de rechten van de mens te beschermen. De rechtstaat is de bescherming van de enkeling tegen de meerderheid. Het is de bescherming van de zwakkere tegenover de sterkere. Het is de solidariteit met mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, die niet voor zichzelf kunnen opkomen. De “Tien Woorden” zijn de muur om het flatgebouw. Die muur stelt ons in de vrijheid. Geeft ons de mogelijkheid om ons in vrijheid te bewegen. Beschermt ons en onze naaste, tegen willekeur en tegen het recht van de sterkste.
De “Tien Woorden” laten ons ook zien dat vrijheid nooit absoluut is. Als vrijheid wordt verabsoluteerd dan zullen we zien, hoe mooi de idealen ook zijn, dan eindigt de wereld in een chaos. De “Tien Woorden” zijn de bescherming tegen die chaos. In die chaos gaat het recht van de sterkste heersen. De “Tien Woorden” zijn de bescherming tegen; oog om oog, tand om tand. Zijn de bescherming tegen willekeur en tegen daden tegen de menselijkheid; beroving van leven, liefde en vrijheid.
Maar tegelijkertijd zijn ze meer dan welke willekeurige wetgeving, van welke willekeurige rechtsstaat dan ook. Ze komen namelijk niet voort uit een behoefte tot beheersing of overheersing, waarin de een boven de ander is gesteld. Maar de “Tien Woorden” komen voort uit de liefde tot het duizendste geslacht. Daarmee laat God zien dat de wereld van arbeid, van menselijkheid en van politiek niet zonder de liefde kan. Juist in die wereld maakt mededogen, barmhartigheid en een verzoenend gebaar, een wereld van verschil. Die stem van mededogen en barmhartigheid moet ook klinken in het tumult en het debat over de vrijheid. En wij worden erop getraind om die stem te horen en om die stem te laten klinken.
Kijk me aan, ik heb je lief, ik heb je vrij gemaakt. Ik ben de Heer, je God, die jouw in de vrijheid heeft gesteld. Het gaat dan niet alleen over mijn vrijheid in politieke, ethische en maatschappelijke kwesties. Maar het gaat over de vrijheid van allen. Ook van onze naaste. Want onze vrijheid is niet waardevrij, is niet absoluut. De vrijheid van de een, kan de onvrijheid van de ander betekenen. In de “Tien Woorden” gaat het over de vrijheid van ons allen in relatie tot solidariteit met de naaste. Met degene die niet zo sterk is, die niet voor zichzelf kan opkomen. Daar eindigen de “Tien Woorden” mee. Met de naaste en de liefde van God, tot die naaste.