|
Een andere wereld op zondagmorgen
Met zijn Duitse accent loopt hij al zes jaar rond in het
Groningse daklozen circuit. Hij komt uit de buurt van Düsseldorf. Hij heeft geen uitkering. Hij slaapt in een
tentje. Waar dat tentje staat houdt hij angstvallig geheim, bang, dat hij daar wordt weggejaagd of wordt
overvallen. Hij ziet er in de eerste
oogopslag niet uit als dakloos. Zijn kleding ziet er meestal redelijk goed
verzorgd uit. Zijn haren zitten wat warrig, maar dat is bij meer mensen het
geval, dus niets bijzonders. Ze zijn wel wat grijzer geworden in de loop der
jaren. Maar gezien zijn omstandigheden, die menigeen aanleiding zou geven tot
erg veel grijze haren, valt het bij hem erg mee. Zijn Duits accent verraad dat hij niet van
hier is. Soms wil hij terug naar Duitsland, maar hij weet niet waarvoor. En hij
weet ook niet waar hij dan naar toe moet. Hij is verslaafd aan harddrugs. Het
geld daarvoor bedelt hij bij elkaar, van de argeloze voorbijganger. Een euro
voor het slaaphuis, doet het altijd goed! Daarmee kan hij net zijn verslaving in stand
houden. Maar ook niet meer dan dat! Voor eten en drinken blijft er niets over.
Dat is ook wel te zien aan zijn postuur, niet meer slank, maar mager.
Op zondagmorgen, op een verlaten Vismarkt, waar
de kinderkopjes glinsteren van de vers gevallen regen, kom ik hem tegen. Ik kom
hem wel vaker tegen op straat. Maar dan ben ik vaak voor hem onzichtbaar. Omdat
zijn hoofd vol zit met andere gedachtenen dat zelfde hoofd niet meer kan registreren dat hij mij passeert.

|
|
Op deze morgen is hij nat van de vers gevallen regen.
Ogenschijnlijk doelloos loopt hij over de markt. Totdat hij mij opmerkt! Hij
vraagt aan mij waar ik naar toe ga. ‘Naar de kerk, om voor te gaan!’. Hij wijst
vervolgens op mijn koffertje. Wat zit daarin? ‘Mijn toga en mijn preek en de
andere teksten voor de kerkdienst’. Naar
welke kerk ga je?
Ik noem hem de naam, begint om tien uur zeg ik. Vind je het goed dat ik met je meega, vraagt
hij. Uiteraard, een kerkdienst is openbaar, dus mag jij er ook in.
Terwijl we samen verder lopen vertelt hij dat hij normaal
nooit in de kerk komt. Ja soms in de Open Hof kapel, maar daar is hij ook al
maanden niet meer geweest.
Ik vraag waar hij vandaan kwam, vanmorgen. ‘Uit mijn eigen
huisje’, zegt hij. ‘Maar ik heb slecht geslapen. Het regende hard en iedere
druppel hoor je op het tentdoek, dus ben ik er maar vroeg uit gegaan’.
Eenmaal aangekomen bij de kerk, nestelt hij zich op de
voorste rij. Want dan kan ik je tenminste goed zien! Maar dat duurt maar heel
even! Alleen aan het begin van de viering. Want snel daarna is hij in slaap
gevallen en hij werd pas weer wakker bij het slotlied. Dat zong hij uit volle borst mee, want hij
kende het. Ja, hij was weer helemaal terug uit een andere wereld, op deze
zondagmorgen.
|
|