| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
“Pastoraat in de marge, Lezing in het kader van opening TVVG-Assen, 7 september 2010. In 1995 kwam ik, tot min of meer mijn eigen verbazing, te werken in wat ik ben gaan noemen; de wondere wereld van dak- en thuislozen en druggebruikers in de binnen stad van Groningen. En dan ook nog als pastor. In een wereld die ogenschijnlijk van God verlaten is. Waarin op het eerste gezicht alles gebeurt wat God verboden heeft. In die wondere wereld werd ik aangesteld om pastoraat te bedienen. Dienstbaar te zijn aan dak- en thuislozen en druggebruikers. Het boek, God is een luie man, is ontstaan uit de gedachte dat het leven van druggebruikers en daklozen voor de buitenwereld weleens op gespannen voet zou kunnen staan met de tien geboden. Op grond van mijn ervaring, op dat moment ruim twaalf jaar als pastor, was ik eigenlijk meer geïnteresseerd in de vraag, wat de tien geboden zouden kunnen vertellen over hun levensverhaal. Het boek had voor mij dus veel meer een pastorale insteek. Ik wilde hun verhaal horen, ik hoopte dat ze mij voldoende zoude vertrouwen om hun verhaal te vertellen. Omdat het zoveel verschillende verhalen zijn, is het boek niet goed samen te vatten. Ik wil u daarom vanmorgen meenemen op dat aspect van het pastoraat. Zichtbaar onzichtbaar. Pastoraat leeft bij de gratie van verhalen. Dat is het uitgangspunt. Maar de kern van het pastoraat, het doen van pastoraat, ligt in het omzien naar elkaar. In het er zijn. In de stilte, in de zwijgzaamheid van het moment. Er hoeven niet altijd vragen gesteld te worden. Er hoeven niet altijd antwoorden te worden gegeven. Er hoeft niet altijd gesproken te worden. Ik ben er als pastor, ik maak me zichtbaar door er te zijn. Ik maak me onzichtbaar door te kunnen luisteren en dus te kunnen zwijgen. Dat wordt extra zichtbaar in een wereld die vaak niet zichtbaar is. Althans niet zichtbaar in het leven van mensen die volledig buiten deze wereld staan. Het gaat allemaal om mensen getekend door het leven. Eenzaam, wanhopig, leeg-geroepen om hulp, uitgeschreeuwd, uitgekotst, verstoten. Er is weinig meer over van wat ze eens waren. Jonge mensen in de bloei van hun leven, ambitieus, de wil om vorm te geven aan hun leven zodat er liefde en geluk in aanwezig is. Uiteraard zit er ook een aspect van eigen verantwoordelijkheid in. Daar mag ik niet voor weglopen. Daar mag ik mensen ook op bevragen. Maar nooit in de morele beschuldigende zin. Ik heb moeten erkennen dat situaties ontstaan, zonder dat je daar direct en wezenlijk invloed op kunt uitoefenen. De een heeft nu eenmaal meer verslavingsneigingen in zich dan de ander. De een komt nu eenmaal uit een sociale klasse waar de samenleving minder kansen voor biedt, al was het alleen maar door structureel geldgebrek. En we weten hoe moeilijk het is om je daar boven uit te vechten. Dan moet je erg sterk in je schoenen staan. Ben je eenmaal in die spiraal naar beneden terechtgekomen dan ben je iemand die in het maatschappelijke leven steeds verder wordt teruggedrongen, die uit het straatbeeld verdwijnt. Aan wie de samenleving weinig of geen kansen meer biedt of aan kan bieden. Die alleen nog maar zichtbaar worden gemaakt op het moment dat de politiek zich de vraag gaat stellen, vaak onder druk van buurtbewoners of ondernemers, of ze niet teveel overlast veroorzaken. Of ze worden, aan de burgerij, zichtbaar gemaakt op speciale momenten in het jaar. Met alle goede bedoelingen is dat een zichtbaarheid waar men ook niet altijd op zit te wachten. De kerk. Als pastor ben ik nooit in de verleiding gekomen om in een spagaat te geraken om te moeten kiezen tussen gebruiker/dakloze en de kerk. Ze zijn me beiden even lief. Het gaat om mensen die we in de reguliere kerk niet meer tegenkomen. Omdat zij niet meer behoren tot onze maatschappelijke en religieuze klasse. Omdat het in de kerk niet over mij gaat, zei een van de mannen ooit tegen me. De reguliere kerk als instituut heeft met al zijn goede bedoelingen, theologisch, deze groep mensen niets meer te bieden. Wat ik gezien heb en heel vaak nog zien is dat kerken bezig zijn om zelf te overleven. Hun eigen broek op te houden. Heel sterk naar binnen gericht zijn geraakt. Terwijl de uitdaging van de kerk, om te overleven, misschien wel aan de buitenkant van de kerk ligt. Want dat is waar de ‘niet kerkmens’ de kerk veelal mee associeert en ook sympathie voor heeft: de zorg voor de armen. Anderzijds de mensen die daarbij horen hebben gelukkig wel het nodige te bieden voor de mensen van de straat. In aandacht bijvoorbeeld. Want de groep betrokken kerkgangers, die zich als vrijwilliger willen inzetten heb ik tot mijn grote vreugde de afgelopen jaren alleen maar zien groeien. Omdat er betrokkenheid is. Omdat mensen zich blijkbaar geroepen voelen. Job. Het pastoraat aan daklozen en druggebruikers is het verhaal van Job op de puinhopen van zijn leven. Mensen zoeken, net als Job, de aanwezigheid van anderen, de aanwezigheid van God. Om te voelen dat ze er nog toe doen. Dat ze niet ontkend worden. Ze vragen om niet meer of minder dan erkend te worden als mens. Het doet mij denken aan het verhaal van de vrienden van Job die zich in stilte naast hem neerzetten. Niet omdat ze om woorden verlegen zitten. Later zullen ze woorden tegen hem spreken die je liever niet gehoord had. Het cliché: eigen schuld, dikke bult, is daar nog heilig bij. Hij wordt alleen nog maar verder de put in gepraat door zijn vrienden. Vrienden die hem proberen duidelijk te maken dat alles wat hem overkomt toch echt alleen maar de straf van God kan zijn. Dat hij de goddeloze is. In eerste instantie zetten ze zich in stilte naast hem neer, om hun medeleven te tonen. Ze houden zich aan een joods rouwritueel: het scheuren van de mantel, het omhoog werpen van stof boven hun hoofden en het zwijgen, tot de nabestaande, degene die getroost moet worden, als eerste het woord neemt. Dan is het natuurlijk niet zo vreemd, als je vrouw je verlaat, als je kinderen sterven, als je geen huis meer hebt om te wonen, alleen nog een steen om op te zitten en je wordt uiteindelijk nog ziek, dat je dan in je wanhoop roept: ik ben de troost voorbij, al wat ik zoek is een aanwezigheid die mij verteld dat ik er ergens nog toe doe. Ik roep tegen de stilte in; ontken mij niet, ik wil niet meer zijn dan een mens, maar ook niet minder. Als ik mij neerleg is het niet omdat ik buig, maar verzwaard door tranen. Dat is precies het beeld wat ik als pastor steeds weer tegenkom. Het beeld van de druggebruiker en dakloze. Ze willen dat ze er toe doen, niet ontkend worden of gecriminaliseerd, maar er toe doen als mens…. Dus volwaardig mens zijn. Dat is wat Job wil, dat is wat druggebruikers en daklozen willen. Maar beiden zijn getekend door de ervaringen in hun leven. Negatieve ervaringen van afgebroken schoolopleidingen en werkeloosheid. Gebroken relaties en misbruik. Resulterend in drank en drugs, verslaving, dakloosheid. Vervolgens niet zelden ontkend door familie en vrienden en een schuldgevoel aangepraat, wat leidt tot schaamte en eenzaamheid. Tot onoplosbaar verdriet om wat verloren is. Wat kom ik doen als pastor in deze wondere wereld? Misschien moet ik de vraag omdraaien. Wat komt de ander doen in het leven van de pastor? Welke eer valt de pastor ten deel dat zij met hem of haar willen optrekken? Dat de pastor een kijkje wordt gegund in hun leven? Dat gaat blijkbaar niet vanzelf en dat gaat ook niet voor iedereen direct op. Ik kan dat het beste illustreren met een voorbeeld: Het is mijn eerste werkdag, juli 1995, in mijn nieuwe functie als pastor voor dak- en thuislozen en druggebruikers. Ben jij de nieuwe pastoor? Deze directe en enigszins op agressieve toon uitgesproken vraag van Sytse is de eerste vraag die mij in mijn nieuwe baan bereikt. Enigszins bedremmeld stel ik me voor en bevestig de vraag. Ja, ik ben de nieuwe pastor in Groningen. Sytse blijft tegenover me staan en vertelt zijn verhaal. Ik heb in mijn leven nog nooit zo diep in de goot gezeten als het laatste jaar. Ik heb geen huis en mijn familie wil me niet meer zien en ik ben zo verslaafd als een deur. En denk maar niet dat jij mij eruit kunt halen met je God. Hij draait zich om en loopt weg. Een half jaar later. Mij bereikt het bericht dat Sytse in het ziekenhuis is opgenomen. Naar men zegt een overdosis. Sterk onderkoeld gevonden in een portiek op sterven na dood. Ik besluit hem te gaan opzoeken in het ziekenhuis op de intensive care. Als ik daar aankom ligt hij in een diepe slaap. Ik spreek kort met de verpleegkundige. Ze heeft geen idee hoe lang het duurt voor hij wakker zal worden. Ik besluit te wachten. Ik ga rustig naast zijn bed zitten. Zou hij merken dat ik er ben? De verpleegkundige kijkt me verbaasd aan. Vreemd figuur, die een half uur lang zit niets te doen naast het bed van zo’n zwerver. Na drie kwartier schrijf ik een kaartje voor hem, dat ik geweest ben en dat ik snel zal terugkomen. Twee dagen later loop ik maar weer eens het ziekenhuis binnen. Sytse blijkt wakker te zijn. Hij begroet me hartelijk: dag meneer pastoor. Leuk dat u geweest bent en bedankt voor uw kaartje! Ik vraag hoe het met hem gaat. Hij vertelt dat het volgens hem geen overdosis was maar gewoon verkeerd spul dat ze hem verkocht hadden. Hij blijft een lange tijd stil tussen ons beiden. Mag ik je wat vragen, zegt Sytse. Uiteraard. Wat denk je, als ik dood ga zou ik dan hemel komen? Een kort moment denk ik na. Had je dood gewild? is dan mijn tegenvraag. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. Ik was wel teleurgesteld dat ik weer bij kwam. Het leven dat ik heb is een klotenleven, geen huis, geen fatsoenlijke kleren, geen familie, geen vrienden en ook nog verslaaft. Zo kan het toch niet verder. Maar wat denk je, kom ik in de hemel als ik dood ga? Ik kan zo geen reden verzinnen waarom jij niet in de hemel zou komen. Ik heb al van alles gedaan wat van God niet mag. Ik heb gevochten, ik heb gejat, ik heb gelogen. Dat kan zo zijn, maar in de Bijbel komen we veel mensen tegen die dit soort dingen ook hebben gedaan, is mijn antwoord. Sytse geeft niet op. Wat denk je, kom ik in de hemel? Volgens mij kom jij in de hemel, ik denk dat je daarover geen zorgen hoeft te hebben, zeg ik. Sytse maakt dat heel helder. Je moet het verdienen als pastor. Een half jaar lang verdiende ik het blijkbaar niet om in zijn wereld te mogen komen. Daar zal hij ongetwijfeld zijn reden voor hebben gehad. Het is niet aan de pastor om daarover te oordelen. Sytse heeft mij geleerd dat ik er als pastor niet als vanzelfsprekend van uit mag gaan dat ik bij iedereen gewenst ben en dat ik op grond van mijn functie toegang heb tot hun levensverhaal. Als pastor moet je hun verhaal verdienen. De stilte, het wachten, het is het kenmerk van de aandacht die ik in het pastoraat aan bezoekers wil geven. Niet de pastor bepaalt de agenda, maar zij, Job, bepalen wanneer en waarover wordt gesproken. Niet de pastor is de centrale figuur, maar degene die de pastor het vergunt om in zijn of haar leven te kijken. Dat resulteert automatisch in de volgende vraag die ik mij de afgelopen jaren vaak heb gesteld: waar is God in dit verhaal? Wat is dat voor een rare God om het zo uit de hand te laten lopen? Is het inderdaad die luie man? Had dat niet anders gekund? Was het echt nodig om Job zo te laten lijden? Het is de vraag naar de verantwoordelijkheid van God die ik regelmatig terugkrijg van de mensen. Als God bestaat, waarom zorgt hij er dan niet voor dat ik een huis krijg? In mijn werk is dat een van de vele vragen waarmee ik verlegen was en na twaalf jaar nog ben. Is het afdoende om als antwoord te geven: God is geen tovenaar, het is menselijke verantwoordelijkheid. Je mag de verhalen niet letterlijk nemen, ze zijn symbolisch. Terwijl ik wel de verhalen vertel van Job, waarin God willens en wetens iemand de afgrond in laat gaan. Nou ja, uiteindelijk wel met een happy-ending, want het komt toch nog een beetje goed met Job. |