| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

|
OPA GEIN.
Ergens de stad staat een oud huis. Vroeger was dit een mooi huis van rijke mensen, maar nu is het een huis voor daklozen en druggebruikers. De deur piept en ziet er ook enigszins verveloos uit. Sommige mensen hebben liever dat het huis voor daklozen, dat bij hen in de buurt staat, wordt gesloten. Toch verblijven daar nu regelmatig veel mannen en een enkele vrouw. Ze zijn geen familie van elkaar. Nee, hun families wonen in de dorpen en steden in de omgeving en soms wat verder weg. Hun families, hun kinderen missen hen, soms, maar weten vaak niet waar ze verblijven. Waarom gaan ze dan niet terug? Waarom gaan ze niet werken? Een van hen, Gein, was kunstenaar in een iets verderop gelegen dorp. Een landelijk beroemd kunstenaar, een kunstenaar in aanzien. Maar zijn atelier is nu verkocht. Dat komt omdat hij verslaafd is geraakt aan drugs en drank en daardoor dakloos is geworden. Door die “ziekte” hebben mensen liever niet dat hij bij hen in de buurt komt wonen. Gein ziet er niet altijd even gezond uit en loopt ook niet altijd in zijn beste kleren, dat maakt dat mensen hem vaak al van verre herkennen. Het lijkt wel of de mensen dan willen zeggen; onrein, onrein, blijf uit mijn buurt!!
En weet je wat zo erg is? Er zijn best veel mensen die zeggen hem te helpen. Maar toch lukt het maar niet om uit de problemen te komen. Daklozen helpen elkaar zo goed en kwaad als het gaat. Ze delen hun huis, hun spullen, soms zijn ze een tijdje vrienden. Elke dag zijn er wel vrijwilligers in de stad te vinden die hen voorzien van brood en soep en koffie en thee. Gein maakt daar ook dankbaar gebruik van, als hij in de stad is.
Al veertig jaar, hij mag binnenkort officieel met pensioen, wordt de boodschap over zijn leven, Gein’s leven, verteld. Over de hele stad. Overal gaat de boodschap van zijn leven hem vooruit of blijft hem achtervolgen. Mensen die Hem onderweg ergens zien, vertellen het aan anderen. ‘Ik heb Gein gezien, hij zag er slecht uit’. Al lange tijd was hij niet meer gesignaleerd in de stad. Hij leek van de aardbodem verdwenen. Tot het gerucht ging; 'Gein is terug in de stad!'
Ook dit keer waren de mensen in de stad erg verrast, maar niet blij. Gegoede burgers gaan immers niet om met daklozen en druggebruikers. Ze vinden ze stinken en gevaarlijk. Ze houden zich niet aan wetten. Ze lopen liever een straatje om of steken de straat over. En toch komt Gein eraan! Iedereen weet wel iets van Hem te vertellen. Hoe hij ziek is geweest, in zijn hoofd. Hoe hij wartaal uitslaat en kapot is gegaan aan de drank. Hoe hij andere verlopen types in zijn huis toeliet, net zolang tot hij zelf dakloos raakte. Hoe zijn vrouw bij hem wegging en hoe hij zijn kinderen verwaarloosde. Zijn eigen kleinkinderen nog nooit heeft gezien!
Ook op scholen wordt erover gesproken. Want iedereen in de stad heeft het erover! Bij hen staat ook een meisje met ernstige bruine ogen. Het is Mirjam, ze luistert aandachtig naar de verhalen over Gein. Mirjam kent Gein niet, ook alleen maar uit de verhalen. Maar ze weet wel dat ze een bijzondere band heeft met Gein. Hij haar opa. Maar haar opa heeft ze nog nooit gesproken en Gein weet ook niet dat hij een kleindochter heeft. Ze maakt zich los van de groep en gaat naar huis. Aan haar oudere broer, die alleen thuiszit, zegt ze dat ze een brief gaat schrijven voor opa. Wil jij die brief dan naar het opvanghuis brengen? Haar broer knikt. Dat wil hij wel doen, hij komt er dagelijks langs. Mirjam zet zich achter haar pc. Ze heeft al bedacht wat ze wil schrijven. Een uurtje later is ze klaar. Haar broer neemt de brief mee en geeft die af bij het opvanghuis. De brief wordt aan Gein gegeven als hij zijn soep zit te eten. Hij bergt hem zorgvuldig op in zijn sok, waar hij alle dingen opbergt die veel waarde hebben.
Gein slentert die morgen door de stad. Het schiet niet erg niet op. Het riempje van zijn schoen is kapot gegaan. Daardoor loopt hij wat langzamer. Telkens staat hij even stil. 't Is wel een getob, maar hij heeft geen geld om het te laten repareren. Er moet toch iemand zijn in de stad die zijn schoen even kan repareren. Op de hoek van de markt blijft hij staan. Even rusten. Hij is moe, al is het pas vroeg in de morgen. Slecht geslapen vannacht. Het opvanghuis is nog niet geopend. En hij mag er nog niet zijn, tenminste niet in de omgeving, dat wil de buurt niet. Meewarig kijken mensen hem aan of ze knikken onzichtbaar nee en lopen door als hij vraagt om wat geld, om zijn schoen te laten repareren. Keer op keer, onophoudelijk, vraagt hij het. Heeft u misschien wat geld voor mij, om mijn schoen te laten repareren, als bewijs steekt hij zijn voet vooruit.
Zo goed en zo kwaad als het gaat slentert hij naar een groepje jongelui. Hebben jullie misschien wat geld om mijn schoen te laten repareren? En weer steekt hij zijn voet vooruit. Ze kijken Gein onderzoekend aan. Zouden ze deze man op zijn woord geloven? Ze kennen hem wel, ja wie kent hem niet in deze kleine provinciestad, die zichzelf soms zo groot waant.
'Ga heen!' roept de stoerste van de groep, het klinkt als een bevel, ‘loop naar de hel met je schoen’ vEven blijft het stil. Dan beginnen de jongelui door elkaar heen te praten. 'De schoenmaker ziet je aankomen...' lacht de kleinste. Langzaam trekt Gein zich terug van de groep.
Met een uiterste krachtsinspanning loopt hij in de richting van het opvanghuis, waar ongetwijfeld het brood en de koffie klaar zullen staan. Zijn voeten doen hem zeer, hij voelt de brief schuren onder zijn voet.
Eenmaal om de hoek, wordt hij achterhaalt door een jong meisje. Stond zij ook niet bij die groep? Ze zegt niets, kijkt hem aan met haar opvallend bruine ogen. Ze blijft een tijdje stil naast hem lopen. Totdat zij het is die de stilte doorbreekt. ‘Ik heb niet zoveel geld, maar zal ik een paar goedkope nieuwe schoenen voor u kopen’. Kind, ik had je opa kunnen zijn, jij hebt geld hard nodig voor je toekomst’. Beide zwijgen. Toch wil ik het, dringt ze aan. Gein, stemt toe. Het is niet veel, maar voor vijfentwintig euro kopen ze paar nieuwe schoenen.
Eenmaal buiten de winkel, draait het meisje zich om en rent hard weg. Voordat hij het beseft is ze uit beeld verdwenen. Gein kijkt verdwaasd, naar zijn nieuwe schoenen, met de oude nog in de hand. Hij sjokt naar het opvanghuis. Eenmaal aan tafel haalt hij de brief tevoorschijn. Hij leest hem nogmaals en nogmaals. Dan bergt hij hem weer zorgvuldig op. Gein snapt nu pas, wat de brief betekent en van wie de brief afkomstig is. Hij is vandaag opa geworden!.
Eenmaal verzadigd van het brood en de soep verlaat hij het pand. Dat verveloze pand, waar vroeger rijkelui woonde en nu mensen komen zoals Gein. Een stel brutale kraaien maken ruzie om wat vieze etensresten, als hij door de stad loopt. In een grijze afvalcontainer dumpt hij zijn oude schoenen. Een stilleven gezicht. Voor even, voor even maar is de stad van hem. Maar Gein woont er niet meer! Hij is de stad uitgegaan. Hij wil opa blijven, voor altijd. |