| Welkom bij Gerhard ter Beek. |

Als we kijken naar het diaconaat in het oude testament, welke vragen daarin aan de orde waren, kan het geen kwaad om eens te beschouwen of wij, in crisistijd, daar iets van kunnen leren. Oorsprong? In de christelijke traditie worden de wortels van het diaconaat gelegd in Handelingen 6. Bij de aanstelling van zeven mannen! Ze worden gekozen omdat ze van onbesproken gedrag zijn, wijs en vol geestdrift. Hun taak is het op zich nemen van de dagelijkse zorg van de Griekssprekende weduwen die bij die dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. Een taak die de twaalf discipelen er nadrukkelijk niet meer bij konden hebben. En dus werd deze taak uitbesteed. Een taak die blijkbaar zo groot was, dat niet een persoon het kon, maar er dus meerdere nodig waren. Daarmee waren de eerste diakenen, in de traditionele christelijke opvatting, een feit. Oude testament Toch zou het te kortzichtig zijn om het daarbij te laten. De zeven mannen en de twaalf discipelen stonden heel nadrukkelijk in de joodse traditie. Vanuit het perspectief van de joodse traditie, vanuit de Thora, waar zij mee groot gebracht zijn, keken zij naar de joodse samenleving. Vanuit dat perspectief stelde zij zich ook de vraag wat er moest gebeuren met betrekking tot de armen, de wezen, de weduwen en de vreemdeling. De wortels van het diaconaat in onze kerken moeten we dan ook niet in eerste instantie zoeken in Handelingen 6. Het is hoogstens een nieuw markeringspunt dat aangeeft dat de groep discipelen, ook bereid is om maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen. De wortels van het diaconaat moeten we eerder zoeken in het oude testament. Bij het volk Israël, in de Thora en bij de profeten. Daarbij dienen we wel te bedenken dat het volk Israël, zoals wij dat kennen uit de verhalen van het oude testament, een klein onooglijk en machteloos volk was. Vaak ingekapseld in grote machtige koninkrijken. Hoogstens ten tijde van David en Salomo kunnen we zeggen dat het volk Israël machtig en rijk was. Voor de rest was het meestal een overwonnen en onderdrukt volk. Vanuit die positie komt hun visie op de samenleving voort en de rol van het geloof daarin. In de joodse wetgeving gaat het heel vaak over de bestrijding van armoede en relatie tot de vreemdeling: “Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken” (Lev. 19: 33). “Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast; je mag hem niet laten verkommeren (Lev. 25:35). Het gaat over de dienstbaarheid, het diaconaat, diakonos, aan deze groepen mensen. En zo kunnen er nog vele voorbeelden worden aangehaald. Dat klinkt raar, maar dat is het niet! Als je overal armoede om heen je ziet dan ga je jezelf afvragen of jij iets met die armoede moet doen en wat dat dan voor je geloof betekent. Als je altijd vreemdelingen om je heen hebt, ga je je vanzelf ook die vraag stellen. Het bijzondere is alleen dat men de vreemdeling niet verwerpt. Men probeert deze niet zover mogelijk van zich af te houden. Iets wat logischer geklonken zou hebben, maar men is juist met ontferming bewogen. De boodschap is dat men deze, de vreemdeling, niet mag onderdrukken. Dit geloof staat midden in de actualiteit van die tijd. Profeten. In de geschiedenis van het volk Israël was, door die onderdrukking, door die machteloosheid, sprake van een constante crisis. Een sociale en economische crises. Er was sprake van een constante dreiging van verlies van identiteit. Er was sprake van een constante dreiging van overheersing door anderen. Er was sprake van een constante dreiging van armoede. En het waren de profeten die hier steeds tegen in het verweer kwamen. Wanneer profeten spreken over het begrip zonde dan hebben ze het vaak over de exorbitante welvaart van machthebbers, tegenover de schrijnende armoede van de bevolking. Dan hebben ze vaak over de ongebreidelde expansiedrift van dezelfde machthebbers, met alle economische en sociale gevolgen van dien, voor de bevolking. De groeiende welvaart treft een relatief kleine groep, uit de bovenlaag van de samenleving. Het volk Israël behoorde over het algemeen niet tot die maatschappelijke bovenlaag. Dit complex van problemen gaat eeuwen door en het zijn eeuwenlang de profeten die zich hier tegen verzetten. Zij grijpen daarbij terug op het begrip het Tsedaka: rechtvaardigheid. Tsedaka. De voornaamste zonde is dan de onrechtvaardigheid tegenover de armen, de vreemdeling en het achter andere goden aanlopen. In het Oude Testament is dat onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die andere goden zijn beelden, symboliek van de onrechtvaardigheid, die andere goden legitimeren het gedrag van mensen om de armen te vergeten en de vreemdeling te minachten. De profeten leggen in hun geschriften grote nadruk op het grove onrecht dat aan hen geschiedt. Zij leggen de werkelijkheid bloot vanuit de situatie van de armen en de vreemdelingen. Om diaconaat handen en voeten te kunnen geven kunnen zij niets anders dan hun analyse starten van de positie van die armen en die vreemdeling. Daarmee wordt het concreet gemaakt. De profeten oordelen en kondigen handelen aan van de zijde van God. Dat handelen van God, door mensenhanden, moet leiden tot een drastische omkeer uit onrechtvaardige verhoudingen. Moet leiden uiteindelijk tot Tsedaka. Moet gevolgd worden, of voorafgegaan, door barmhartigheid. Barmhartigheid. Diaconaat in crisistijd, zoals ten tijde van het volk Israël in het oude testament, kan echter niet alleen stil blijven staan bij de roep om Tsedaka, om rechtvaardigheid, gerechtigheid. Uiteindelijk moet de hand ook aan de ploeg worden geslagen. Uiteindelijk moet er ook geholpen worden. Het volk mag niet verkommeren onder de roep om Tsedaka. Naast gerechtigheid gaat het ook om barmhartigheid. Het concreet helpen van mensen! Overigens is er met dat begrip barmhartigheid in het oude testament iets vreemds aan de hand in de Bijbelvertalingen. In de Herziene Statenvertaling kom je het begrip Barmhartigheid nog 40 keer tegen. In de NBG vertaling van 1951 kwam het begrip barmhartigheid nog 29 voor. In de nieuwe Bijbelvertaling slechts vier keer (maar dit terzijde)! In het oude testament gaat het steeds om God die barmhartigheid bewijst aan zijn volk. Als het handelen van God gestalte krijgt door mensenhanden, waar het gaat om de Tsedaka, dan mogen we er vanuit gaan dat dat ook gebeurt rond de barmhartigheid. Er moet recht gaan worden aan mensen, door mensen door hen te voorzien van eten en drinken. Er is geen sprake van rechtvaardigheid, als er democratie en gelijkwaardigheid is, maar het volk sterft als ratten langs de kant van de weg. In barmhartigheid moet het woord van God gedaan worden, zeggen de profeten. Kerk-zijn vandaag Het is crisistijd anno 2012. Economisch en sociaal. De werkeloosheid stijgt, de armoede bloeit weer op en de vreemdeling wordt lang niet altijd als een gewenst gast behandeld. Wij zijn niet machteloos en zeker niet onderdrukt (hoewel verschillende politici ons willen doen geloven dat dat wel staat te gebeuren, als we de vreemdeling niet buiten de deur houden). De kerk en dus het diaconaat, staat voor nieuwe uitdagingen. Er moet opnieuw vorm gegeven worden aan Tsedaka. De barmhartigheid moet weer worden gedaan. Maar het mogen geen mooie woorden blijven, die alleen maar iedere zondag inde liturgie klinken. Als woorden, anno 2012, alleen maar holle lege woorden blijven en niet gevolgd worden door barmhartigheid, dan is dat eveneens zonde in de ogen van veel profeten. Anders gezegd: als de liturgie onverstoord doorgaat waar onrecht bestaat en barmhartigheid uitblijft, dan wordt het tijd de liturgie te verstoren. Diaconaat in crisistijd, is geloven temidden van de actualiteit. |